Verschillende culturele organisaties uit Helmond organiseren met enige regelmaat een schrijfwedstrijd, dit keer met Arnon Grunberg als gastjurylid. Het thema van 2024 is ‘Stel je voor dat …’: pak de pen op en schrijf dát verhaal dat je altijd al had willen schrijven! Van een psychologisch drama tot sciencefiction, van magisch realisme tot realistische fictie, alles kan. Zet de deur open voor de grenzeloze mogelijkheden van de verbeelding… GROENtekst verplaatst zich voor deze gelegenheid naar het jaar 2052, maar valt buiten de prijzen…
Hoe het zover komen kon
“Dat ik dit nog mee mag maken!”, roep ik uit als mijn kleindochter Clara me feliciteert met mijn verjaardag. Haar kinderen Jimmy en Roos rennen meteen naar het fornuis waar de geur van appeltaart hen tegemoet komt. “Nog even wachten, kinderen, de taart is bijna klaar!” Vervolgens duiken de twee zoals gewoonlijk in mijn boekenkast: “Opa’s wiki” zoals ze die noemen.
“Vind je het echt zo speciaal dat je vandaag honderd wordt?”, reageert Clara op mijn uitroep, “Zo bijzonder is dat niet hoor, Opa. Dat wordt bijna iedereen, die zelf niet uit het leven stapt”.
“Ja, dat bedoel ik dus, dat jij het anno 2052 vanzelfsprekend vindt dat we met zijn allen zo lang gezond kunnen blijven. Dat was vroeger echt wel anders hoor. We vonden het heel gewoon als iemand van de ene op de andere dag te horen kreeg dat die een vreselijke ziekte had met het bijbehorende kansje op overleven.”
“Ach ja, vroeger…, je zit weer helemaal op je praatstoel.” En ze draait zich meteen om naar de kinderen: “Roos! Jimmy! Kom eens hier, jullie over-opa op zijn praatstoel!”. Terwijl de kinderen aanschuiven gooit ze nog een paar houtjes in het fornuis om het vuurtje brandend te houden.
“Ha gezellig, ja lieverds kom er even bij, kunnen jullie het vinden in de wiki?”
“O, Jim had een boek over ruimtevaart geloof ik…” Ik herken nu het stripboek van Kuifje in zijn handen: Raket naar de maan. “Ja dat is een mooi boek, dat kan ik me nog goed herinneren, ook al bijna honderd jaar oud…”
“Vertel maar verder hoor.”, spoort Clara me aan: “Was het vroeger echt zo erg?”,
“Nou nee, we wisten eigenlijk niet beter. We waren blij met wat we hadden. Nu denk ik dat we onze gezondheid veel beter onder controle hebben. In ieder geval het voorkómen van ziektes.” Ik hoef de kinderen niet lastig te vallen met belerende verhalen over roken, alcohol of erger, want ze weten nauwelijks wat dat is, gelukkig maar.
“Wisten jullie dat het vroeger heel gewoon was om gif te spuiten op aardappelen, groente en fruit?”
“Wat?!”, roept Roos uit, “Op je eten? En dat aten jullie dan gewoon op zeker, lekker hoor!” Jim wil er meer over weten: “Waarom zou een boer zoiets doen dan, dat is toch nergens goed voor?”
“Jawel, we noemden dat gewasbescherming, boeren hadden last van allerlei plantenziektes en beestjes die de oogst vernielden.”
“Nou en? Dan spuit je er dus maar gif op? Daar kan ik me echt niks bij voorstellen…”.
“In die tijd draaide alles om een zo groot mogelijke opbrengst en dan telt elke kilo…”, probeer ik nog, maar op veel begrip hoef ik niet te rekenen, ik besluit maar te zwijgen over de zo vertrouwde kunstmest waar we kwistig mee strooiden.
“Het gekke is ook dat het ons toen weinig uitmaakte waar ons eten vandaan kwam: appels uit Chili, boontjes uit Egypte en onze eigen groentes en fruit gingen per vliegtuig over de hele wereld.”
“Eten verslepen met een vliegtuig?”, klinkt de volgende verbazing.
“Ja dat was heel gewoon toen: het vervoer per vliegtuig kostte zo weinig dat dat ook uit kon. Nederlandse tomaten vlogen we naar Azië en niet te vergeten onze bloemen. De tijden zijn behoorlijk veranderd sinds het rampjaar.”
“O ja hoor, opa weer met zijn rampjaar…”. Ik wist dat dit een gevoelig onderwerp was, maar nu kon ik er niet omheen. Wie het zelf had meegemaakt sprak er zelden over. We kenden allemaal wel dierbaren die het niet hadden overleefd. De wereld telde vóór die tijd bijna twee keer zoveel mensen als nu, onvoorstelbaar.
“Hoe oud was jij toen Clara, een jaar of zestien?”
“Zoiets ja, net als jij nu, Roos, stel je voor: het hele jaar was donker en koud, alsof het elke dag herfst was. En we mochten overdag niet eens het licht aan doen.”
“Nee”, voeg ik toe: “En al die houtkachels maakten het er niet beter op. Maar het was onze enige warmtebron, de zonnepanelen kregen te weinig licht en de oliekraan werd steeds verder dichtgedraaid. Energie was gewoon onbetaalbaar.”
“In mijn herinnering hebben we toen alleen maar pap gegeten, bah!”.
“Maar we hadden te eten, dat was lang niet overal zo.” Ik wend mijn blik af en Clara legt troostend haar hand op mijn knie:
“Genoeg over dat rotjaar, Opa. Wij hebben het in ieder geval overleefd, zo moet je het maar zien.” Ze staat op en vervolgt: “Tijd voor Opa’s appeltaart!”

Eenmaal aan de taart begonnen valt mijn oog op Jimmy’s stripboek van Kuifje. “Toen Hergé dat boek maakte, Jim, toen was die hele ruimtevaart nog fantasie, maar het is toch een beetje uitgekomen met de maanlandingen in de jaren zestig. Wat waren we allemaal trots, de bomen groeiden letterlijk tot in de hemel. Vliegen werd langzamerhand voor iedereen betaalbaar: over de hele wereld, net als ons eten. En waarom dan niet ook naar de maan? Het leek zelfs een logische stap nu de aarde overvol dreigde te raken: de maan bewoonbaar maken…”.
“Nou dat is dan toch bij fantasie gebleven”, merkt Jim terecht op.
“Jazeker, daarmee hadden we een grens bereikt. Maar intussen reed wel bijna iedereen in een auto, dat heb jij ook nog meegemaakt, Clara! Later werd dat zo duur, dat het veel aantrekkelijker werd om de bus of de trein te pakken. In die tijd reisden we ook gewoon voor de lol: vooral in vakanties, met een vliegtuig of met een boot.”
“Vakantie met een boot, dat lijkt me te gek!”, vindt Roos.
“Ja hoor, met een cruiseschip de oceaan oversteken en aanmeren bij een tropische eiland.” Terwijl ik dit zit te vertellen en de verbaasde blikken van mijn kleinkinderen zie, realiseer ik me dat we dat toen zo gewoon vonden, ook al moest je er even voor sparen. Nu zou dat onbetaalbaar zijn. “En dan de telefoon, ik ben blij dat ik er nog één in de gang heb hangen. Vroeger had iedereen er een op zak, jij ook denk ik, Clara?”
“O ja, een mobieltje noemde je dat, daar kon je de hele dag mee bezig zijn, leuk ding was dat, hoor”. Ik was zelf ook altijd onder de indruk van wat zo’n klein apparaatje allemaal kon, maar hoe slimmer ze werden, hoe meer energie ze verbruikten. In die tijd dachten we daar te weinig over na. Tegenwoordig zie je ze niet veel meer: “Die mobieltjes van toen waren complete computers, hebben jullie die nog?”
“Ja hoor, op school hebben we er een paar, voor de wiki-lessen.” antwoordt Jim.
“O ja? Gelukkig, dan zijn de computers toch niet helemaal de wereld uit. Dat zou jammer zijn. We hebben geleerd dat er veel mogelijk is, in de techniek en in de medische wetenschap, maar we weten nu dat daar grenzen aan zijn. Laten we tevreden zijn met wat we hebben. Als we voortdurend de bodem blijven uitputten voor energie en grondstoffen, gebeuren er vroeg of laat weer rampen.”
“Maar opa” verzucht Roos nu, “Hoe heeft het dan zo ver kunnen komen?”
“Ja”, vult Jim aan: “Hadden jullie dit niet zien aankomen?” Deze zeer terechte vragen brengen me even in verlegenheid. Moet ik me nu voor mijn achterkleinkinderen zitten schamen? Ik, milieuactivist van het eerste uur? Grenzen aan de groei! Een beter milieu begint bij jezelf! Wat waren we goed bezig met afval scheiden, fietsvakanties, minder vlees eten. Moeizaam drongen de zorgen om klimaatverandering door in de politiek, maar toen uiteindelijk de hele wereld zich er mee ging bemoeien was het eigenlijk al te laat: op jaarlijkse klimaatconferenties stelden de wereldleiders vast dat de doelen weer niet gehaald werden. Wat kon ik zelf nog doen? Wanhopig heb ik nog meegedaan aan de blokkade van een snelweg. En nu de pijnlijke vraag of ik het niet zag aankomen.
“Ja, toch wel…”, probeer ik aarzelend, “…maar we hebben het heel erg onderschat allemaal. Ik zelf ook. Te lang hebben we de afgelopen honderd jaar geloofd in de vooruitgang: steeds meer en betere auto’s, computers, telefoons voor iedereen. Dan is het moeilijk om een stapje terug te doen.” Peinzend kijkt Roos naar haar moeder: “Hoor ik hier weer een wijze les van Opa?” “Ja, precies!”, valt Jimmy haar bij: “Ik heb het Opa vaak genoeg horen zeggen: wees maar blij met wat je hebt!”
Inzending Schrijfwedstrijd Helmond 2024, thema: “Stel je voor dat…”
