Het planetarium van Artis en het nieuwe museum Micropia vormen het decor voor het congres “Microkosmos – macrokosmos” in Amsterdam, over biodynamische landbouw tussen hemel en aarde. Dit is het derde jaar dat de Stichting Demeter en de Biodynamische Vereniging samen een dergelijk congres organiseren. Pieter Geluk doet verslag.
Demeter directeur Bert van Ruitenbeek verwelkomt ruim 160 deelnemers – waarvan ongeveer een derde deel boer of tuinder, naast veel mensen uit handel, verwerking onderzoek en advies – in het planetarium. Hij noemt aandachtige waarneming de basis van het boer zijn: “…waarnemen van levensprocessen en ritmes op en rond de boerderij, het grote en het kleine en het leren zien van verbanden. Van belang voor iedereen, niet alleen voor biodynamische boeren.”
Drie gerenommeerde sprekers staan voor de taak de onmetelijke afstand tussen macro- en microkosmos te overbruggen: bioloog Willem Beekman, geoloog Peter Westbroek en bodemkundige Coen ter Berg.
Willem Beekman: de maan als “Zeitgeber”

“Wij zijn gemaakt van sterrenstof”, legt Willem Beekman uit, wijzend op de scheikundige elementen die ons vanaf onze oorsprong verbinden met de rest van het heelal. Ter illustratie van het aloude motto “Zo boven, zo beneden”, reikt Beekman spectaculaire voorbeelden aan van de weerspiegeling van de maanfasen in het voortplantingsgedrag bij Palolo-wormen en oesters. De maan is de “Zeitgeber”, de klok die maakt dat alle dieren gelijktijdig hun eicellen en zaad aan het zeewater toevertrouwen om bevruchting mogelijk te maken. “Zelfs in donkere laboratoriumomstandigheden vertoont de oester dit gedrag”, aldus Beekman: “De maan zit in het beest.”
Ook in de schelp van de Nautilus is het maanritme zichtbaar. Deze inktvis voegt elke maan-maand een kamertje toe aan zijn schelp. Opmerkelijk is dat deze kamers verbonden zijn door een kanaal, dat de uitwisseling van gas en vloeistof mogelijk maakt, waardoor de inktvis kan dalen naar een diepte van 500 meter. Volgens Beekman kunnen we hiervan leren om bij stress “…vast te houden aan onze kern, maar tegelijkertijd open te staan voor onze omgeving.” Samenvattend vinden we maaninvloeden met name daar waar water is. Ook bij de kieming van bonen en in het gedrag van regenwormen zijn de maanfasen terug te vinden.
De zon laat met name in de plantenwereld een ander ritme zien. Naast het vanzelfsprekende dag- en jaarritme is dat de elfjarige cyclus van verhoogde zonneactiviteit. Beekman toont dit aan in de jaarringen van bomen, maar ook in meerjarige kiemproeven en zelfs in het optreden van griepepidemieën. Tot slot wijst Beekman ons op de schoonheid in de samenhang van micro- en macrokosmos. Als voorbeeld laat hij de vijfster zien in de baan die de planeet venus beschrijft en de treffende overeenkomst met de vijftallige bloem van een roos of een vergeet-me-nietje: “Zo boven, zo beneden!”
Peter Westbroek: wat de aarde niet past wordt vernietigd!
“Alles gaat kapot…!” Provocerende woorden van Peter Westbroek, internationaal vermaard geoloog en schrijver van het boek ‘ De ontdekking van de aarde’. Hij schetst een dynamisch beeld van een aarde die zichzelf voortdurend binnenste buiten keert. Gezien vanuit de geologische tijdschaal stelt hij vast: “De aarde vernietigt alles, maar bouwt uiteindelijk ook alles weer op, al moet je daar soms miljoenen jaren op wachten…”.
Westbroek wil af van het antropocentrische wereldbeeld, waarin de mens zich de aarde toe-eigent. Ons wereldbeeld is de laatste decennia fundamenteel veranderd en we worden ons bewust van wereldomvattende problemen als klimaatverandering, overbevolking en erosie van landbouwgronden. Westbroek markeert deze kentering in ons wereldbeeld met de indrukwekkende foto van de aarde, gemaakt eind 1968 door de eerste maanreizigers: “Vanaf dat moment voelen we ons verantwoordelijk voor onze kwetsbare, blauwe planeet.” Dan ontstaan ook onderzoeksgebieden als milieu- en klimaatwetenschap, waarin natuurwetenschappelijke disciplines en menswetenschappen samenkomen.
Westbroek is zelf een van de initiatiefnemers van de Earth System Sciences, een nieuwe allesomvattende aardwetenschap. Vanuit dat gezichtspunt is de evolutie van het leven slechts een onderdeel van de evolutie van de aarde als geheel, die – voortbouwend op een planetair geheugen – zichzelf voortdurend vernieuwt en verder differentieert. Maar volgens Westbroek is er ook een planetaire selectie waardoor alleen blijft bestaan wat passend is: In de landbouw moeten we deze dynamiek van de aarde leren kennen, aldus Westbroek: “We moeten weten wat wel en niet past. Als het past, dan helpt de aarde mee. We moeten er hard aan blijven werken, maar de aarde moet het wel zelf doen!” Geïnspireerd door de Britse dirigent Sir Simon Rattle ziet Westbroek de rol van de mens beperkt tot die van een hard werkende muzikant, die open staat voor wat passend is: “…maar je moet het de muziek zelf laten doen!”
Coen ter Berg: de boer als componist en dirigent

Voor Coen ter Berg is het ongrijpbare van de bodem de ingang tot het thema Microkosmos – macrokosmos. Als bodemkundige verbaast het hem telkens weer met hoeveel veerkracht de bodem zich herstelt als deze met bruut geweld door zware landbouwwerktuigen wordt belast: “De bodem blijft geven.”
Aan de hand van verschillende bodemprofielen laat Ter Berg de gevolgen zien van de landbouwpraktijk voor de structuur, de doorworteling en activiteit van de bodem. Met name de biodynamische bodem onderscheidt zich door hoge biologische activiteit tot diep in de grond. Hier wordt de boer zichtbaar als architect van het bodemleven. Aansluitend bij de beeldspraak van Peter Westbroek, noemt ter Berg de boer “…zowel componist als dirigent van de bodemvruchtbaarheid: hij zorgt voor de samenstelling en de onderlinge afstemming.” De plant treedt op als intermediair tussen zonlicht en bodemvorming: “…in het fotosynthese-proces neemt de plant het licht op en in de wortelvorming verbindt de plant zich met de bodem.” Hier vindt een intensieve uitwisseling van stoffen plaats: “…waar wortels groeien is bodemvorming.” Ter Berg wijst ons op de wit oplichtende wortelharen waarin het zonlicht tot in de bodem zichtbaar is: “Het licht in de duisternis”.
Ter Berg sluit zich aan bij de houding die Westbroek inneemt ten opzichte van de aarde: “…de bodem geeft alles zelf. Het is de aan de boer om het juiste zetje te geven”. Dit vraagt intuïtie en daarmee verwijst hij weer naar Beekman: “Trouw blijven aan de kern, met een open houding voor de omgeving.”
Slotwoord Willem Beekman: morele ontwikkelingsstap wetenschap nodig
Terugkijkend op de leerervaringen van deze dag, schetst Willem Beekman twee voorbeelden van “…de wijsheid van de natuur”: het jachtluipaard en de mestkever. Hij beschrijft hoe deze dieren hun eigen ecosysteem in stand houden: “…als veehouder en akkerbouwer van de savanne.” Het is aan de biodynamische boer om zich deze wijsheid eigen te maken in zijn omgang met de bodem.
Wat daarbij helpt – volgens Beekman – is veel te kijken naar de sterrenhemel: “…deze machtige wereld maakt ons bescheiden.” Veel lastiger is dat bij het kijken naar de microwereld waar onze kennis ons in verleiding brengt om op verschillende niveaus in te grijpen, te manipuleren: “…ook als dat misschien niet zo goed is voor de natuur, het ecosysteem en uiteindelijk voor onszelf.” Dat maakt ons tot een tovenaarsleerling. Beekman haalt hier Goethe aan, die in zijn tijd al zag dat naarmate de mens meer in staat is in te zoomen op de kleinste deeltjes van het leven, hij tegelijk een morele ontwikkelingsstap moet maken. “Dat wordt in de wetenschap nog niet gedaan”, aldus Beekman: “Wat kan, dat moet!”. Daarom is het zoeken naar een morele houding onmisbaar in de biodynamische landbouw. Zo besluit Beekman dat de mens – precies in het midden van het gepresenteerde spectrum tussen micro- en macrokosmos – een verantwoordelijke plaats inneemt. Een inspirerende conclusie, die met name de biodynamische boer een bijzondere rol geeft als bemiddelaar tussen hemel en aarde.
