Na een paar regenachtige dagen herken ik mijn eigen tuin niet meer. In plaats van te genieten van mijn snel groeiende sla en worteltjes, valt mijn oog op de fijne geelgroene blaadjes van kamille tussen de rijen. Een enkele distel laat zich zien en vanaf het slootje rukt de winde op. Hardnekkige sprieten komen tevoorschijn van het kweekgras, dat ik eerder dit voorjaar zo zorgvuldig had uitgeroeid. Tot overmaat van ramp zie ik slakken op mijn sla! Onkruid en ongedierte beheersen mijn tuin.
Op de knieën dus maar weer en gewoon van voren af aan beginnen. Als je ergens de strijd tussen mens en natuur aan den lijve kunt ondervinden dan is het wel in het wieden, dag in dag uit. Als je te aardig bent voor alles wat groeit en bloeit word je nu gestraft met weelderig gewoeker. Met een hand in de nog vochtige bodem om er weer een stuk kweek uit te trekken, gooi ik onderwijl een slak over de sloot en treur om de aangevreten slablaadjes.
Bij vlagen geef ik me over aan voorstellingen over een gifspuit waarmee ik de meest gruwelijke middelen over de bedden uitspreid om voorgoed van alle plagen verlost te zijn. Maar sterker nog is het respect voor de biologische tuinders die met zoveel toewijding en vakmanschap hun bodem onkruidvrij weten te houden. Dat geeft me de moed om de strijd weer aan te gaan en te blijven wieden.
Maar hoe meer ongewenst groen ik door mijn handen laat gaan, hoe meer ik me afvraag waarom dit plantje uitgerekend op deze plaats wil groeien. Dat opent een andere blik op onkruid. Niet alles groeit overal: de kamille wijst op te dichtgereden of -getrapte grond. De winde geeft kalkgebrek aan. Kweek en distels vragen gewoon om wat meer aandacht. Ik begin zowaar begrip te krijgen voor mijn onkruidjes, maar geef niet op: ik woeker gewoon terug!
Verschenen in Paradijsvogels Magazine van juni 2015, bewerking van Jonas, 10 juni 1994

