De Landbouwcursus van Rudolf Steiner is sinds 1924 de bron van de biodynamische landbouw. De studie hiervan vraagt voor de nieuwe generatie boeren steeds meer toelichting, met name op de antroposofische gezichtspunten in deze cursus.
De jarenlange ervaring van de Zwitserse auteur Rudolf Isler met lessen en gesprekken over biodynamische landbouw hebben geleid tot dit boek. Voor boeren en tuinders kan het een hulp zijn bij het raadplegen van de Landbouwcursus. Ter gelegenheid van 100 jaar Landbouwcursus plaatst GROENtekst een recensie in Dynamisch Perspectief, hier nog gevolgd door een fragment uit het eerste hoofdstuk in Nederlandse vertaling.

Een dynamische plantkunde (fragment uit: Isler, 2019, vertaling GROENtekst)
De landbouwcursus leert ons een dynamische kijk op planten, die sterk afwijkt van de biologie die we gewend zijn. Deze plantkunde wordt stapsgewijs opgebouwd van de eerste tot de zevende voordracht.
Reproductie en eetbaarheid: twee stromen in de plant
In de eerste voordracht is sprake van twee stromen die we in het leven van de plant kunnen onderscheiden (Landbouwcursus, p.24). De ene stroom leidt via het groeiproces naar reproductie en vermeerdering. Door te groeien realiseert de plant haar individuele bestaan en door te reproduceren zorgt ze voor het voortbestaan van de eigen soort. De reproductie is een vervolg en een metamorfose van de groeifase. De andere stroom maakt de plant tot voedingsmiddel voor mens en dier.
In de gewone biologie speelt deze zienswijze geen rol en is onbekend. De eetbaarheid wordt niet als iets belangrijks gezien voor het begrijpen van het wezen van de plant. Planten die voor andere levende wezens eetbaar zijn, geven iets van zichzelf weg. Schijnbaar hebben ze daar geen voordeel van. Sommige planten beschermen zich met doorns en gif om niet gegeten te worden, maar de meeste doen dat niet. In tegendeel, de wezens die zich met hen voeden trekken ze aan met hun smaak, geur, aroma en schoonheid. Planten willen geoogst worden. Hooi- en grasland zijn pas vitaal en productief als ze door dieren begraasd worden of wanneer de mens dit veevoer op het juiste moment afmaait. Ook het bos reageert met enthousiaste groei, als de “rijpe” bomen gekapt worden.
De plant onder en boven de grond
Dankzij Goethe beschikken we over een sterke uitbreiding van de plantkunde, die het ons mogelijk maakt dichter bij het wonder van het leven te komen. (De metamorfose van de planten – Johann Wolfgang Goethe, 1981). Goethe was een waarnemer. Als hij iets waarnam, wist hij ook de daarmee verbonden gedachten actief in de waarneming te betrekken.
Een beproefde methode, zo lang we de bovengrondse delen van de plant waarnemen. Daarin laat de plant haar soortspecifieke vormen zien. Als boeren zijn we echter ook geïnteresseerd in de wortels, waarvoor we de bodem bewerken en verzorgen. Toch groeien de wortels volgens volkomen andere wetmatigheden dan de groene delen van de plant. Alleen in bijzondere gevallen kunnen we bij de wortels soortspecifieke kenmerken onderscheiden. Wortels laten geen eigen identiteit zien, maar verbinden zich met de bodem. Ze groeien daar, waar de bodem het hen toestaat en waar ze vinden wat ze nodig hebben. Wortels vormen een levend geheel met de bodem waarin ze groeien.
Rudolf Steiner vergelijkt het groeiproces van de wortels met de zenuw- en zintuigactiviteit in ons hoofd. Wanneer we iets waarnemen verplaatst ons ik zich vanuit de eigen ziel, naar datgene wat we waarnemen. Bij elke zintuigelijke waarneming kunnen we eenvoudig nagaan hoe onze persoonlijke belevingswereld zich verbindt met de omgeving. Daartegenover staat het stofwisselingsproces, dat Steiner vergelijkt met hetgeen zich boven de grond in de lucht afspeelt. De planten nemen deel aan deze stofwisseling door levende materie op te bouwen met behulp van zonlicht. Als licht, lucht en water op de groene plant inwerken, wordt dit in de fotosynthese omgezet in koolhydraten (suiker, zetmeel, cellulose, hout) en eiwitachtige stoffen, zoals chlorofyl, die in de levende plant actief zijn.
Nu kan de plant niet alleen in haar bovengrondse delen eetbaar worden, maar ook in wortels en in ondergrondse stengelknollen. Wanneer wortels eetbaar worden, zijn hierin krachten werkzaam, die bij normale wortelgroei niet actief zijn. Steiner noemt dit kosmische krachten en hij noemt eetbare wortels daarom kosmische wortels. Aan de andere kant noemen we de vertakte wortels, die zich zoekend in de aarde dringen, aardse wortels. In dit verband zegt Steiner in de tweede voordracht, dat het ABC van de beoordeling van de plantengroei daaruit bestaat, “… dat we steeds kunnen zeggen: wat is aan een plant kosmisch, wat is aan een plant terrestrisch, aards?” (Landbouwcursus p.45).
