In de ontwikkeling van een plant ontdekt Goethe tot drie maal toe eenzelfde beweging: een uitbreiding gevolgd door een samentrekking. In de uiterlijke verscheidenheid van plantendelen vertoont zich een samenhang. Zowel in de bladeren, in de delen van de bloem, als in de vrucht, ziet hij één en hetzelfde orgaan van de plant. Hoezeer planten ook van elkaar verschillen, deze wetmatigheid van de metamorfose lijken ze allemaal te vertonen.
Goethe beschrijft dit uitvoerig in “Die Metamorphose der Pflanzen (1790)” en acht jaar later in onderstaand gedicht met dezelfde titel. Voor de bioloog Frits Julius dient het als uitgangspunt voor zijn boek “Metamorfose” uit 1932 (herzien 1999).



